woensdag 28 april 2010

Lumumba-salami

Je kan er niet naast kijken de laatste tijd. Congo is in. En sexy. Black is beautiful. Het is alleen nog geen toeristische trekpleister. Voor expats is het conflictgebied een avontuurlijke bestemming. Ze voelen zich soms als oud-kolonialen, met een pint naast het zwembad, maar dat gebeurt niet alleen in Congo de dag van vandaag. Ook in Senegal hebben buitenlanders volop vertier. Ik was er vaak getuige van, maar ging liever met mijn Senegalese vrienden naar een voetbalmatch kijken op televisie. In België kijk ik nooit voetbal, maar in Senegal stelde ik mijn televisie graag ter beschikking van mijn lokale vrienden die er geen hadden. Het was altijd dolle pret. Een gescheld en gebrul ook. Of vreugdekreten, als Senegal de match won. Ik koos altijd voor de tegenstander, om tegendraads te doen, anders was de pret er vlug af.

Maar soit, daar gaat het nu niet om. Waar het dan wel om gaat? De 50-jarige verjaardag van de onafhankelijkheid van Congo, waar je nu dus niet naast kan kijken in de Belgische media. 50 jaar geleden was het nochtans geen grote viering. Ik herinner me nog altijd de tv-beelden van de geschokte Belgische koning Boudewijn wanneer de nieuwe Congolese premier Patrice Lumumba zijn redevoering houdt. Lumumba zou dan ook niet lang leven. Het verhaal gaat de ronde dat hij in stukken gesneden werd als een salami en dat men in België daarom in de jaren zestig sprak van “Lumumba-salami”. Een vrouw van in de vijftig wist me dat eens te vertellen, zij bestelde als kind altijd Lumumba-salami bij de beenhouwer, ze kon er nog goed om lachen. Ik vond het een gruwelijke vergelijking. Ik weet niet of haar verhaal waar is of het een kinderfantasie is. Het klopt in elk geval met de tijdsgeest van de post-koloniale jaren in België. Mijn ouders herinneren zich nog levendig de spaarpotten bij lokale handelaars die Congolese jongetjes uitbeelden. Wanneer je er een muntje instak, knikte het hoofd. Een gedweeë buiging van een onderdrukte ‘inlander’, zoals het koloniale België gewoon was. Gelukkig heb ik zo’n spaarpotten nooit gekend. Ik ben opgegroeid met naslagwerken over de moord op Lumumba - ik was 16 toen ik het boek van Ludo De Witte las - en de Lumumba-commissie van de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers. Dat is andere koek dan salami en denigrerende spaarpotten.

vrijdag 13 februari 2009

De vergane glorie van de Senegalese democratie

Senegal, het land van de gastvrijheid en een donor darling. Het Westen overlaadt zijn lieveling met ontwikkelingsgeld: “Want het is toch zo’n goede leerling in vergelijking met de andere landen van het Afrikaanse continent.” Inderdaad, Senegal is een van de meest stabiele landen in een Afrika dat verscheurd is door oorlog, hongersnood en andere humanitaire crisissen. Maar de democratische koers die het West-Afrikaanse land na zijn onafhankelijkheid steeds gevaren heeft, staat de laatste jaren sterk onder druk. En dat is te danken aan zijn hoogbejaarde president Abdoulaye Wade, die sinds 2000 aan de macht is.

Net als zoveel andere Afrikaanse landen, sloeg Senegal het Franse koloniale juk van zich af in 1960. Maar in tegenstelling tot de meeste onafhankelijke Afrikaanse staten vergleed het land niet in opeenvolgende dictatoriale regimes en staatsgrepen. Het West-Afrikaanse land heeft altijd een overwegend democratische koers gevaren, zodat vele Senegalezen nu hun wenkbrauwen fronsen als ze de huidige president aan het werk zien. Van vooruitgang op het vlak van vrijheden en rechten is geen sprake, wél van achteruitgang, en men kan zich afvragen waarom het Westen niet reageert als zijn donor darling elk jaar slechtere punten scoort op de internationale ranglijsten van corruptie.

Deze neerwaartse spiraal van een democratische naar een autoritaire staat gaat hand in hand met het beleid van Abdoulaye Wade, die dankzij vrije verkiezingen in 2000 de oppositiebank inruilde voor de presidentsstoel. Abdou Diouf, de tweede president van Senegal die bijna een decennium aan de macht was geweest, gaf toen vredevol de scepter over aan zijn politieke rivaal. Met zijn “sopi”-campagne (sopi betekent verandering in het Wolof) had Wade bij de Senegalezen veel hoop gecreëerd. Hij beloofde de levensstandaard van de mensen op te krikken en basisvoedsel zoals rijst goedkoper te maken. Zeven jaar later werd hij, ondanks de grote teleurstelling bij de bevolking – noodzakelijke levensmiddelen zijn alleen maar duurder geworden en meer mensen dan vroeger lijden honger – herverkozen. Verkiezingen die zonder geweld verliepen, maar waar volgens de oppositie wel onregelmatigheden konden worden vastgesteld. In Thies, de thuisbasis van een politieke tegenstander van Wade, kregen duizenden kiezers niet op tijd hun kiezerskaart, waardoor ze op de dag van de verkiezingen hun stem niet konden uitbrengen.

Zoals zoveel Afrikaanse machthebbers, houdt Wade krampachtig vast aan de macht en het prestige van het presidentschap. “Goor gi”, le vieux, hij is oud en veel mensen vragen zich af of hij nog wel in staat is het land te regeren. Hij heeft vaak gelogen over zijn leeftijd, maar het staat vast dat hij over de tachtig jaar is. Op internationale fora doet hij zich voor als dé democratische Afrikaanse president die vrijheid van denken en meningsuiting hoog in het vaandel draagt. Maar noem mij één journalist in Senegal die niet is uitgesnauwd door de president, toen hij hem een kritische vraag stelde. Ik vind er geen.

Pers is de dupe

Intimidaties tegen de onafhankelijke pers zijn in augustus 2008 tot escalatie gekomen, toen Farba Senghor, de minister van Ambachten en Luchttransport en tevens een beschermeling van Wade, in een toespraak op televisie openlijk de pers aanviel en niet veel later de lokalen van twee niet-regeringsgezinde kranten werden kapot geslagen. De moord op een journalist kon juist vermeden worden. Er werden een aantal heethoofden opgepakt, waaronder een chauffeur en twee lijfwachten van Senghor. De daders hadden voor hun aanval gebruik gemaakt van een auto van de Senegalese administratie. Een aantal dagen na de inbraken ontsloeg Wade zijn minister. De banden tussen Senghor en de aanslagen bleken te nauw en de president wou zijn handen niet te hard verbranden aan deze affaire. Een tiental verdachten werden veroordeeld tot enkele jaren effectieve gevangenisstraf, maar de ex-minister bleef buiten schot, hoewel verschillende daders hem aanwezen als het brein achter de operatie. Het dossier van Senghor werd naar het Hooggerechtshof gestuurd waar acht parlementsleden onder leiding van een magistraat de zaak zullen oplossen. Het ziet er naar uit dat Senghor buiten beschuldiging gesteld zal worden door een hof dat in hoofdzaak uit politieke vriendjes van Wade bestaat.

Ik ben de uit gratie geraakte minister een week na de aanslagen tegengekomen vlakbij zijn geboortedorp op het platteland, zijn terreinwagen met kapotte ruit lag naast de weg, hijzelf stond in het graanveld te bellen. Achteraf bleek het om een stom verkeersincident te gaan en de pers had meer aandacht voor de vogel die ze – ongedeerd – in de koffer aantroffen. Het ging om een zeldzame vogel die door marabouts - moslimleiders die in Senegal vooral gekend zijn en geraadpleegd worden omwille van hun magische krachten – gebruikt worden. Het stond vast dat de minister een marabout was gaan raadplegen – zoals hij wel eens vaker deed – om een vloek te laten uitspreken over zijn vijanden en zijn eigen toekomst veilig te stellen.

Bovendien biedt de strafwet verschillende mogelijkheden om journalisten op te sluiten op basis van wat ze schrijven, hoewel vrijheid van pers en meningsuiting in de grondwet zijn vastgelegd. Malick Seck, hoofdredacteur van de onafhankelijke krant 24 Heures Chrono, werd in september van vorig jaar tot drie jaar effectieve gevangenisstraf veroordeeld, nadat hij een artikel had gepubliceerd over een witwasoperatie waarbij Wade en zijn zoon betrokken zouden zijn. De beschuldiging luidde: het in diskrediet brengen van het staatshoofd, valse berichtgeving en het bedreigen van de publieke orde. Wade belooft al jaren om de strafwet aan te passen – toen hij in de oppositie zat werd hij zelf ook eens opgesloten op basis van deze strafwet – maar het blijft bij loze beloftes.

En de grondwet? Die heeft Wade herleid tot een vodje papier. Ze wordt om de vijf botten bijgeschaafd en bijgevijld. Op acht jaar tijd heeft de president 14 keer de grondwet veranderd, wat neerkomt op een gemiddelde van één keer per semester. En als Wade dan eens een op het eerste zicht democratisch initiatief neemt, zoals het creëren van een tweekamerstelsel, dan hangt daar altijd wel een autoritaire angel aan vast. De Senaat die vorig jaar in het leven werd geroepen bestaat enkel en alleen uit politiek benoemde senatoren en het bureau van die Senaat leidt het jaarlijkse congres van beide kamers. Als dat niet eens democratie op zijn kop is! Net als het lanceren van een nationale campagne om de landbouwproductie op te voeren (Goana) en dan na een schitterend regenseizoen zeggen dat de schitterende oogst te danken is aan het schitterende Goana-programma. Wade zou eens moeten leren om de weergoden te bedanken, of heeft hij hen ook al omgekocht?

Corruptie

Corruptie, dat wil Wade wel bestrijden, zolang hij maar niet in eigen boezem moet kijken. 2009 is nog niet goed bezig of hij klaagt zijn afgedankte beschermeling Macky Sall aan voor fraude. In de wandelgangen wordt gefluisterd dat de teloorgang van de ooit zo succesvolle eerste minister en Kamervoorzitter te wijten is aan zijn enthousiasme om de verdachte praktijken van de zoon van de president, Karim Wade, aan een parlementair onderzoek te onderwerpen. Karim staat aan het hoofd van ANOCI (Agence Nationale pour l’Organisation de la Conférence Islamique), de organisatie die heel Dakar heeft omgebouwd om vorig jaar de top van islamitische landen te kunnen ontvangen. Er is veel geld door zijn handen gepasseerd en men verdenkt hem ervan dat er daarvan ook geld in zijn zakken is terecht gekomen. Macky Sall is niet de enige die zo’n lot beschoren is, ook Idrissa Seck, een vroegere bondgenoot van de president werd met zijn klikken en klakken buiten gegooid. Wat beiden gemeen hebben, is dat ze zo succesvol werden dat ze een bedreiging vormden voor de president.

Het allerlaatste wat papa Wade wil, is dat het imago van zoonlief Karim besmet raakt, want hij heeft hem al uitgekozen als troonsopvolger. Wade heeft beslist dat hij zijn ambtstermijn niet zal uitzitten en de macht zal overdragen aan Karim. Hij is volop bezig met het creëren van een “gunstige omgeving” door alle lastposten uit de regeringspartij en zijn entourage te gooien en te vervangen door Karim-gezinde politici. Karim is zelfs al op audiëntie geweest bij de Franse president Nicolas Sarkozy, tenminste dat zou een foto van beide heren moeten bewijzen die wijdverspreid werd in de Senegalese media, maar de persdienst van het Elysée zei niet op de hoogte te zijn van een dergelijke ontmoeting.

Schone schijn en leugens. Het zijn er zoveel geworden dat ze de teloorgang betekenen van de Senegalese democratie. Of in de woorden van de professor en grondwetspecialist El Hadji Mbodj: “La démocratie au Sénégal est malade.” Als ze niet genezen wordt van haar Wade-kwaal dan is ze ten dode opgeschreven.

Ik woonde en werkte de voorbije twee jaar in Senegal (pihtusenegal.blogspot.com).

vrijdag 19 oktober 2007

Ontwikkelingshulp faalt. Is participatie het redmiddel? (Nadia Molenaers & Robrecht Renard)

De donorgemeenschap ontkent niet dat ontwikkelingshulp de voorbije decennia gefaald heeft. Meer nog, ze ontwikkelde een nieuwe benadering die een antwoord biedt op de tekortkomingen van projecthulp en structurele aanpassingsprogramma’s. Maar kan het nieuwe hulpparadigma van de Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP’s) de ontwikkelingslanden werkelijk uit het slop halen?

Ontwikkelingshulp in de vorm van projecten en structurele aanpassingsprogramma’s lag op het einde van de afgelopen eeuw fel onder vuur. Projecten veranderden niets aan de beleidsbeslissingen van het ontwikkelingsland op macrovlak, ze waren in handen van de donoren en ondermijnden de ontvangende staat door de hoge administratieve en andere kosten die werden veroorzaakt door overdreven donoreisen die bovendien onderling niet op elkaar afgestemd waren. De structurele aanpassingsprogramma’s van de jaren tachtig ramden politiek delicate hervormingen door het strot van de ontwikkelingslanden en werden dan ook gekenmerkt door een gebrek aan eigenaarschap van het ontvangende land.

Rond de eeuwwisseling onderschreef de donorgemeenschap een nieuwe benadering, waarbij de nadruk ligt op eigenaarschap en armoedebestrijding: het ontwikkelingsland moet zijn eigen beleidsprioriteiten formuleren in de vorm van een Poverty Reduction Strategy Paper, die de internationale hulp kanaliseert, en zijn eigen beleid uitvoeren. Budgethulp of begrotingssteun is dan ook het instrument bij uitstek om het nieuwe donorbeleid vorm te geven. De benadering gaat er ook vanuit dat goed bestuur en transparantie cruciaal zijn voor ontwikkeling, wat de participatie van het middenveld impliceert.

De auteurs hebben zo hun twijfels over de PRSP-benadering. Nochtans zijn ze zeer lovend over het besluit van de donoren om meer nadruk te leggen op eigenaarschap door het ontvangende land, proarme economische groei en participatie van de civiele maatschappij. Maar in de praktijk is de benadering moeilijk haalbaar, onder meer omdat de politieke realiteit in de ontwikkelingslanden (vb. patronage) vaak botst met de diepgaande institutionele hervormingen. Bovendien zien de donoren te laks toe op de conditionaliteiten die ze de landen hebben opgelegd, want ze hebben er belang bij om in bepaalde landen invloed te kunnen blijven uitoefenen. Laten we er geen doekjes om winden: de PRSP-benadering en de onderliggende filosofie werden ontworpen in de kantoren van de Wereldbank in Washington.

De donoren zien de slechte kwaliteit en naleving van de PRSP’s door de vingers. In feite wordt de benadering in de praktijk uitgehold en dreigt het een lege doos te worden. In het merendeel van de ontwikkelingslanden die een PRSP hebben, gebeurt de hulp voornamelijk nog zoals vroeger, ondanks de PRSP dus. Dat komt omdat donoren soepel zijn in het goedkeuren van PRSP’s, maar bepaalde landen toch nog niet klaar vinden voor het toepassen van budgethulp. Het uitwerken en uitvoeren van een PRSP vereist namelijk een minimale institutionele kwaliteit, die in de meeste landen grondig te wensen overlaat.

De nieuwe benadering mist duidelijke definities, onder andere op het vlak van de participatie van de civiele maatschappij. In bepaalde omstandigheden kan participatie kwaad berokkenen. Wat als de overheid van het ontwikkelingsland geen politieke wil vertoont om naar de civiele samenleving te luisteren maar om de donoren te sussen wel een participatieronde houdt en daarbij enkel de organisaties uitnodigt die gunstig staan tegenover zijn beleid? Wat als de enorme kosten voor organisaties uit het middenveld die een participatieronde voorbereiden en eraan deelnemen zonder enig resultaat zijn en de overheid geen rekening houdt met de aanbevelingen uit het middenveld? Ondertussen geeft zo’n participatieoefening wel een geur en kleur van legitimiteit aan de overheid.

Voor de auteurs is een fundamenteel pijnpunt in de PRSP-aanpak de geur- en kleurloze visie op armoede. De keuze voor armoede wordt voorgesteld als een kwestie van ‘betere kwaliteit van beleid’, alsof het om een technocratisch iets gaat. Armoede wordt losgekoppeld van de politiek, terwijl in de meeste lage-inkomenslanden armoedebestrijding wel degelijk een politieke keuze behelst. Want heel vaak heeft armoede een etnisch gezicht, een regionale stempel of een religieuze tint en gaat het om diepgewortelde patronen van sociale uitsluiting.

Nadia Molenaers en Robrecht Renard, beiden academici verbonden aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -Beheer van de Universiteit Antwerpen, bieden de lezer een evenwichtig onderzoek aan over de nieuwe hulpbenadering. Ze behandelen zowel de voordelen als de nadelen van de nieuwe hulpbenadering. Het boek leest vlot en is ook verstaanbaar voor de leek die zich wil verdiepen in de huidige ontwikkelingssamenwerking, zonder daarbij de voorgeschiedenis uit het oog te verliezen.

Deze recensie staat ook op Politics.be.